Inleiding
Hey lieve kattenliefhebber,
Hier ben ik met het tweede deel van I love Happy Cats! Dit boek is een verzameling van alle adviezen waarmee ik de afgelopen 10 jaar tijdens consultaties geëxperimenteerd heb en die doeltreffend bleken te zijn.
In dit boek ga ik nog veel verder dan in het eerste boek. Dat was de inleiding, het begin, het tipje van de sluier, een voorproevertje om te zien of jullie honger hadden. En wat bleek? Heel wat eigenaars hebben het boek goed gesmaakt, de eindeloze geweldige feedback was ongelooflijk, waarvoor ik ongelooflijk dankbaar ben. De ‘I love Happy Cats – Handleiding voor een gelukkige kat’ (of de ‘Handleiding’ zoals ik die in de rest van dit boek zal noemen) ging intussen meer dan 17.000 keer over de toonbank en is sinds september 2019 wereldwijd in het Engels beschikbaar.
Ik heb mijn best gedaan om volledig te zijn en om alles zo duidelijk en gestructureerd mogelijk voor te stellen. Je vindt 3 hoofdstukken terug: het Kattenwiel, de Kattenmatrix® en Gedragsproblemen bij katten.
In het Kattenwiel vertel ik je alle achterliggende informatie over invloeden op gedrag en ongewenst gedrag die nodig is om actie te ondernemen en te begrijpen waarom bepaalde zaken tot probleemgedrag kunnen leiden.
De Kattenmatrix® is een nieuw model dat ik ontwikkelde, gebaseerd op mijn laatste 200 therapieplannen, en is een gestructureerde voorstelling van een grote verzameling informatie (= matrix) die je als eigenaar nodig hebt om gedrag bij je kat te veranderen.
Je kan het beschouwen als een breedspectrum antibioticum maar dan voor het oplossen van ongewenst gedrag bij katten. Het is daarnaast ook de brug tussen de beleefwereld van de kat en onze beleefwereld.
In het derde deel van het boek ga ik in op de meest voorkomende gedragsproblemen bij katten: sproeien, plassen, agressie tussen katten, agressie naar de eigenaar en krabben. Hierbij is het zeer belangrijk te weten dat dit verder bouwt, bovenop de Kattenmatrix®. Voer dus geen stappen uit zonder de Kattenmatrix® eerst toe te passen.
Er wordt info herhaald in dit boek, dat kan niet anders. De eerste handleiding bundelde de belangrijkste inzichten die ik kreeg in het begeleiden van katteneigenaars bij het veranderen van gedragsproblemen bij de kat. Dit boek gaat dieper in op concepten die ik in de Handleiding en het Werkboek reeds aan het licht bracht. Ik geloof dat deze herhaling belangrijk is, zeker wanneer je de zaken vanuit een nieuw standpunt bekijkt.
Voel je je niet zo goed bij het lezen van de adviezen omdat ze wijzen op iets dat je mogelijk verkeerd deed in het verleden? Misschien voel je stress, frustratie, schrik, angst, schaamte of schuld? Dat is perfect normaal, even doorademen en kijken waar die ‘pijn’ vandaan komt. Misschien neem je het jezelf kwalijk dat je het nog niet vroeger wist of geprobeerd hebt. Of je voelt je schuldig dat je je kat misschien tekort hebt gedaan. Laat die gedachten gewoon even zijn, wees niet te hard voor jezelf. Nu ben je geïnformeerd en kan je aan de slag om het beter te maken voor je katten. The only way now is straight up!
Ga je niet akkoord met een bepaald advies? Dat is perfect oké! De reden waarom we waarschijnlijk niet overeenkomen is omdat ik in dit boek een algemeen advies geef en jij met een specifieke situatie zit. Algemeen advies is hier steeds: gebruik je gezond boerenverstand én je buikgevoel. Zoek verder naar wat dan voor jou en je kat wél een goede oplossing zijn maar neem a.u.b. wel de principes uit dit boek mee zoals bv. positieve bekrachtiging en het mijden van invasief straffen.
Niet zeker? Beeld je in wat ik logischerwijs zou antwoorden, mocht je me die vraag stellen.

Dit boek biedt je algemene inzichten en vertaal dit op een actieve manier naar jouw situatie en weet dat wij allebei het beste willen voor jouw kat!
Het is niet mogelijk om een algemeen advies uit te schrijven dat voor letterlijk alle situaties geldt. Bovendien vervangen deze adviezen onmogelijk de analyse van een geschoolde gedragstherapeut.
Alle stappen bouwen op elkaar verder. Als je dus een hoofdstuk leest, dan moet je dit advies interpreteren in combinatie met alle andere zaken die je al gelezen hebt. Dat is de kracht van dit boek.
Met alle info in dit boek en de andere 2 Happy Cats boeken heb je voldoende informatie in huis om Catfluencer® te worden! De Catfluencer-beweging is gestart in juli 2019 met een warme oproep aan kattenliefhebbers en professionals die samen met mij info de wereld willen insturen om katten gelukkiger te maken. Ik voorzie namelijk info via de boeken en onze Catfluencer-nieuwsbrieven en iedereen verspreidt dit. Zo zijn we een leger Catfluencers® die de kennis van gelukkige katten wereldwijd willen uitdragen. Doe je mee?

Liefs, Anneleen

Het Kattenwiel is een schematische voorstelling van alle redenen die verklaren waarom een kat doet wat ze doet in het belang van ongewenst gedrag begrijpen en waarom de ene kat zich anders gedraagt dan de andere kat.
Alles wat we in het Kattenwiel bespreken, is ook het fundament van de Kattenmatrix®, het model om het gedrag van de kat (opnieuw) in balans te brengen, wat we verder in dit boek bespreken.
In de Kattenmatrix® staan namelijk stappen die je moet uitvoeren en het ‘waarom’ is daar heel belangrijk. Weten wat je moet doen is één ding, maar weten waarom je het moet doen maakt het gemakkelijker, duidelijker en dan hou je het ook langer vol.
Het Kattenwiel bestaat uit 2 grote delen, de ‘Kat als diersoort’ waarbij we stilstaan bij invloeden en oorzaken van gedrag die toe te eigenen zijn aan de kat als soort. Waarom doet deze kat dit, en is dit anders dan wat een hond of een konijn doet?
Daarna vind je het deel ‘Kat als individu’ met invloeden, oorzaken en voorkeuren die terug te brengen zijn tot het individuele niveau. Waarom gedraagt deze kat zich anders dan je vorige kat of de kat van de buren?
Op dit Kattenwiel staan niet alle invloeden op het gedrag van de kat, dan zou het minstens dubbel of driedubbel zo groot moeten zijn, maar dit zijn voor mij de belangrijkste invloeden die aan de basis liggen van ongewenste gedragingen in huis.
Het is ook belangrijk om alle info uit de Handleiding mee te nemen, ik herhaal slechts een paar essentiële zaken in dit boek.
De kat als DIERSOORT

Dit is de voorouder van onze huiskat, die we reeds bespraken in het eerste boek ‘I love Happy Cats – Handleiding voor een gelukkige kat’. Er zijn bepaalde gedragingen, verwachtingen en invloeden die de kat ervaart en die te wijten zijn aan het feit dat de kat nagenoeg geen verschil vertoont tegenover zijn voorouder. Ze zijn op dezelfde manier geprogrammeerd en vertonen daarom soms gedrag dat we niet kunnen plaatsen, vooral omdat we hen nu in een heel andere omgeving houden dan waar hun voorouders vertoefden.
Op die voorgeprogrammeerde instincten en behoeften gaan we nu dieper in.

Katten zijn carnivoren, wat betekent dat het verplichte vleeseters zijn.
Dit heeft gevolgen voor hun anatomie en lichaamsbouw: ze hebben een korter spijsverteringsstelsel dan omnivoren of herbivoren.
Hun prooien bevatten een hoog gehalte aan eiwitten waardoor ze ook eiwitrijke uitwerpselen produceren die andere roofdieren kunnen lokken, want eiwitten ruiken nu eenmaal sterk. Een kat zal er dus alles aan doen om dat te vermijden. Ze weet dat haar voeding en uitwerpselen waardevol zijn voor andere roofdieren en neemt haar voorzorgen.
Katten hechten veel belang aan eten op meerdere verborgen en veilige plaatsen. Ze willen hun uitwerpselen grondig begraven, dat is belangrijker dan urine begraven. Daarnaast hechten ze veel belang aan een optimale kattenbak, omdat deze locatie uiterst belangrijk is om zichzelf in leven te houden en te beschermen.
Dat is de reden waarom onzindelijkheid één van de meest voorkomende gedragsproblemen bij katten is. Het optimaliseren van de kattenbak heeft een invloed op het overlevingsinstinct en daarom is dat straks zo belangrijk in de Kattenmatrix®.
Sommige katten proberen hun eten te begraven door met een voorpoot langs hun eetkom te scharrelen. Niet alleen om het voer voor later te bewaren, maar ook om het te verbergen voor mogelijke andere roofdieren die voor de kat een gevaar zijn.

Deze eigenschap heeft dus een duidelijke invloed op de dagelijkse voorkeuren en noden van de kat en indien ze niet voldoende mogelijk-heden krijgt om dit natuurlijke gedrag te vertonen, kan dit voor problemen zorgen.

Territoriale & solitaire jager

Je kat is volledig van zichzelf afhankelijk om te overleven en om aan eten te geraken. Ze is oorspronkelijk geëvolueerd als solitaire jager in de regio van Noord-Afrika en het Midden-Oosten en moest zich daar snel aan de omgeving en veranderingen rond haar aanpassen. Deze kat jaagt alleen. Haar prooi leeft niet in groep en is te klein om er met meerdere katten op te jagen.

Het gevolg? De kat wil alles van nature alleen doen: alleen jagen, alleen rusten, alleen op de uitkijk staan, alleen eten, alleen drinken, alleen naar de kattenbak gaan enz.
Is er in de omgeving een overvloed aan bronnen, dan kunnen katten zich aanpassen. Dan kunnen ze sociale banden opbouwen, wél eten in de buurt van een andere kat of samen in een mandje liggen. Maar dus alleen als de kat een gevoel van overvloed voelt, anders is het ieder voor zich. Vergeet dus niet dat dit niet de natuur is waar de kat vandaan komt.

Territoriaal zijn betekent dat je kat veel belang hecht aan een eigen ruimte, eigen veilige plaatsen en eigen noodzakelijke bronnen. Afhankelijk van haar karakter mondt dit territoriaal zijn uit in een actieve verdediging of net niet. Bij katten gebeurt dat subtiel, dus de kans is groot dat je je hier niet bewust van bent.
We zien in de praktijk dat deze eigenschap voor heel wat problemen zorgt in huishoudens met katten, omdat de omgeving vaak niet aangepast is aan deze ‘programmatie’.

Opportunist

Een kat maakt gebruik van alles wat voorbijkomt in haar omgeving en in haar voordeel speelt. Ook wij kunnen handig op die eigenschap inspelen door diverse zaken ter beschikking te stellen aan onze kat waar ze dus gemakkelijk gebruik van zal maken, simpelweg omdat de gelegenheid zich op dat moment aandient. Zo gaat ze elke keer opnieuw achter een bewegende prooi aan, wat ze op dat moment ook aan het doen is. Zo drinkt ze als ze ergens voorbijkomt en denkt ‘oh leuk, ik zal hier even drinken’, alvorens verder te gaan.
Katten maken veel gemakkelijker gebruik van iets dat ze ‘plots’ tegenkomen in huis dan dat ze actief op zoek gaan naar iets.

Mesopredator

Een mesopredator is een roofdier waar ook op gejaagd wordt. Katten hebben een zeer gedreven jachtinstinct maar zijn ook constant bezig met hun eigen veiligheid. De balans zoeken tussen beide is voor vele katten een uitdaging.
Er zijn namelijk roofdieren waar niet of weinig op gejaagd wordt (door andere diersoorten) en die vertonen andere gedragingen zoals bijvoorbeeld op uitkijk staan in het midden van een open veld. Die verstoppen zich alleen om niet door hun prooi te worden opgemerkt, niet omdat ze zelf belaagd zouden worden.
Onze huiskatten doen dat dus wel. Zij willen graag tussen hun drinkpot en de muur kunnen zitten om de omgeving in het oog te houden. Ze willen een veilige kattenbak. Ze wandelen in de tuin langs de muren en niet dwars doorheen de tuin over het gras. Ze hebben nood aan schuilplaatsen om tot rust te komen en op uitkijk te staan.
Hun hele lichamelijke ontwikkeling is geprogrammeerd op enerzijds jagen en anderzijds veilig blijven.

Katten hebben dus een zeer sterk jachtinstinct maar zijn tegelijkertijd ook heel stressgevoelig. Deze laatste eigenschap verhoogt hun kans op overleven.

Ze moeten alle mogelijke zaken in hun omgeving opvangen omdat dit mogelijk op een prooi OF een bedreiging kan wijzen. Zij moeten alles gezien, gehoord en gevoeld hebben. Daarom hebben katten zo’n goede ontwikkelde geurzin, een gevoelige vacht en een scherp gehoor.

Ze zijn niet alleen gevoelig en opmerkzaam voor stimuli in de omgeving, maar ook voor voorspellende signalen zoals geluiden, geuren, personen, situaties enz. Reageren op de minste beweging en het minste gefrutsel in de bossen is belangrijk voor hun overleven (jacht of bedreiging). Eén keer niet reageren kan fataal aflopen.
Naast niet willen opgegeten worden (wat logisch is) doet een kat er ook alles aan om niet gewond te raken. Als een kat gewond raakt, raakt ze in de toekomst mogelijk niet meer aan eten omdat er geen groep is die eten komt brengen of de kat tegen roofdieren in bescherming neemt.
Precies daarom willen ze zich verstoppen, proberen ze zo lang mogelijk vijanden op afstand weg te jagen (door te staren, roepen, grommen, blazen, zich groot te maken) in plaats van aan te vallen, en klimmen ze zo graag.

Boomklimmer

Je kat is een boomklimmer, geen landschildpad!

Katten hebben een grote voorliefde voor hoogtes. Ze willen vanop een hoogte een uitkijk hebben. Daar zijn ze veilig en kunnen ze naar verschillende plaatsen springen. Een bedreiging vanop een hoogte aanschouwen is minder invasief dan er oog-in-oog mee staan. Dat bespraken we ook al in de Handleiding. En toch loopt het hier vaak mis.
Om te beginnen vinden vele eigenaars het niet leuk dat hun kat op het aanrecht of de keukentafel springt. Dit is nochtans geen gedragsprobleem maar perfect normaal. Het zijn vaak de enige beschikbare hoogtes in huis. Je kunt dit gedrag veranderen als je bereid bent enkele compromissen te sluiten … Kijk hiervoor naar Stap 7 en Deel 5 van de Kattenmatrix®.

Een tweede misverstand is dat eigenaars denken dat een krabpaal voor de kat voldoende is om te klimmen, om in de hoogte te kunnen. Dit is helaas niet het geval omdat krabpalen meestal op vrij veilige plaatsen worden gezet (of ze worden veilig door de krabpaal), ergens in een hoek van een kamer, terwijl katten net op onveilige plaatsen hoogtes gaan opzoeken.
Krabpalen zijn hoge plaatsen om op te slapen, die liggen in hun hartsgebiedje (zie Handleiding) en daar hebben ze net niet die nood die we net bespraken.
Ten derde denken eigenaars dat een hoogte superhoog moet zijn, bv. alles boven 1,5 m. Dat is absoluut niet het geval. Op onveilige plaatsen hebben katten meestal nood aan niet meer dan een opstapje van 20 tot 30 cm. Dat volstaat voor een kat om zichzelf in veiligheid te brengen. Dat er dan een stofzuiger, een kindje of een andere kat voorbijkomt, wordt al heel anders beleefd dan wanneer ze met hun pootjes op de grond staan.
Nestblijver
Katten zijn nestblijvers. Als een katje geboren wordt, springt dat niet op zoals een veulentje om met de kudde mee te lopen. Een kitten wordt geboren met gesloten oogjes en kan niet lopen. Het enige dat dit kitten meeheeft, is zijn geurzin om zijn weg te vinden naar de tepel en het nest.
Wat betekent dit? Dat een significant deel van de motorische, zintuiglijke en gedragsmatige ontwikkeling na de geboorte plaatsvindt.
Een kitten leert vooral in de eerste 16 weken van zijn leven wat het leven is, wat er allemaal plaatsvindt, wat gevaarlijk en voordelig is. Dit leert dat kitten vooral van zijn mama en later ook van zijn nestgenootjes.
In de wetenschap wordt een onderscheid gemaakt tussen twee ‘socialisatieperiodes’, één tot 7 weken en één van 8 tot 16 weken, zoals eerder besproken in de Handleiding. Dit zijn inprentingsperiodes waar de katjes zeer ontvankelijk zijn om te ervaren wat er in de omgeving aan de gang is.
Ze hebben bij het verkennen dan nog niet de automatische schrikrespons van volwassen katten. Die krijgen katten op latere leeftijd dus wel. Denk aan de uitleg over de stressgevoeligheid van de solitaire jager.
In deze periode is alles nieuw en afhankelijk van het karakter (zelfzeker/nieuwsgierig of verlegen/terughoudend) socialiseren kittens zich in een bepaalde graad aan hun omgeving. Uiteraard kunnen kittens van iets schrikken, maar dat gebeurt pas bij de effectieve confrontatie, bv. bij een fel geluid of iets dat valt, niet bij het verkennen van nieuwe dingen. Ze huppelen ernaartoe en verkennen het volop.
Omdat katten nestblijvers zijn, is het essentieel dat zij in de eerste 16 weken van hun leven zo goed als alles meemaken wat ze later ook zullen meemaken, om hiermee oké te zijn én om veerkracht te kweken om hiermee op latere leeftijd om te gaan.
Je kat kan dus mogelijk niet voldoende gesocialiseerd zijn aan een omgeving met mensen, waardoor veel ongewenst gedrag kan optreden vanaf een leeftijd van ongeveer 1,5 jaar wanneer katten gedragsmatig volwassen worden.

Motivaties & emoties
In de Handleiding bespraken we de emoties en motivaties die dieren hebben en ervaren, als verklaring voor hun gedrag. In dit boek wordt dit extra belangrijk, dus ik sta er nog even bij stil, zodat je helemaal mee bent.
We erkennen 4 basisemoties en 2 voorspellende emoties bij dieren. Er zijn er ongetwijfeld nog veel meer (want katten hebben een rijke gevoelswereld, dat kan elke katteneigenaar beamen) en we weten zeker en vast ook nog niet alles, maar voor dit boek werken we met deze 6 emoties om op een gestructureerde manier een permanente en positieve gedragsverandering te verkrijgen.

Emoties en motivaties bevinden zich in de interne beleefwereld van de kat en zijn de motor van het gedrag. Bij elk gedrag, wat het ook is, moeten we de volgende vragen stellen:
Wat is de motivatie van mijn kat om dit gedrag te vertonen? Wat wil ze hier uiteindelijk mee bereiken, wat is het einddoel?
Welke emotie ervaart mijn kat bij een bepaalde motivator? Deze emotie is de motor van het gedrag en de motivatie is de benzine die de motor doet draaien.
Motivatie van de kat
Bij elke vorm van gedrag, gewenst of ongewenst, moeten we stilstaan bij de motivatie die de kat heeft bij het uitvoeren ervan. Elk dier op deze aarde heeft 5 grote motivators voor gedrag. We herhalen dit in volgorde van belang nog even uit de Handleiding.
Aan eten geraken
Bedreiging vermijden
Voortplanting
Leuke dingen verkrijgen
Onaangename dingen vermijden
In het hoofdstukje stress halen we deze 5 motivators terug aan en situeren we ze op onze stress-schaal.
Emoties van de kat
We moeten vooral stilstaan bij de achterliggende emotie wanneer we ongewenst gedrag willen veranderen. Een emotie is iets wat het dier voelt en bijgevolg een reactie, een gedrag uitlokt: de kat onderneemt iets dat helpt bij het overleven.
Zonder deze emotie zou het snel gedaan zijn met onze kat. Als ze geen schrik voelt bij een bedreiging, geen frustratie voelt bij het niet-vangen van een prooi, geen plezier voelt bij het vangen van een prooi, geen opluchting voelt bij het ontsnappen uit een transportkooi, dan heeft dit niet-voelen een onmiddellijke invloed op een gevaarlijke situatie die het overleven van de kat bedreigt.
Zo kan een kat bv. agressie vertonen. Dat is geen emotie maar een gedrag, een gevolg, een symptoom van de emoties schrik, angst of frustratie.
Een kat kan op het aanrecht springen wegens de emoties opluchting of plezier. Eén gedrag, maar meerdere mogelijke achterliggende emoties met elk een eigen oplossing.
Het voelen van deze emoties draagt onmiddellijk bij aan de overlevingskansen van de kat.
Alle emoties op een rijtje

KADER

SCHRIK: het gevoel als er een bedreiging voor je staat. Door emotie te voelen wil je weg van datgene in de omgeving dat je schrik aanjaagt.
FRUSTRATIE: het gevoel wanneer de omgeving niet doet wat je verwacht. Er is iets dat je niet wil, je mist iets dat je nodig hebt, je wil iets dat je niet hebt of je hebt iets dat je niet wil. Frustratie is niet altijd een negatieve emotie, ze zorgt voor gedragsverandering. Je kat zoekt naar manieren om deze frustratie weg te werken door de situatie te veranderen, wat alweer bijdraagt tot haar overleven.
ANGST: het gevoel wanneer je verwacht dat er iets gaat gebeuren waar je schrik of frustratie bij zal voelen. Deze emotie is het gevolg van voorspellende signalen in de omgeving die erop wijzen dat een onaangename situatie mogelijk op de loer ligt. Deze emotie levert in zekere mate dezelfde emotionele en fysieke reacties op als bij schrik of frustratie, maar vaak in iets mindere mate.
Wanneer we het later over gedragsproblemen hebben, zien we dat angst een onderschatte emotie is, omdat ze onvoldoende is om alleen de stressfactor weg te halen. De kat verwacht dat het gevaar opduikt, zonder dat dit ook echt het geval is. Daarom gaat gedragsverandering veel verder dan louter het weghalen van een stressfactor. Het gaat over het veranderen van associaties die de kat doorheen de tijd heeft opgebouwd.
PLEZIER: het gevoel dat je naar iets toetrekt, het voelt aangenaam, is leuk of lekker. Het sluit aan op jouw indivuele maar ook soortgerelateerde verwachtingen en noden. De zaken waarbij je plezier voelt, dragen bij tot jouw overlevingskansen. Het gedrag dat de kat vertoont waarbij ze zich plezierig voelt, neemt toe. Bij ongewenst gedrag gaat het vaak over ‘op zichzelf voldoening gevend’ gedrag, zonder input van de buitenwereld.
OPLUCHTING: het gevoel wanneer je iets hebt kunnen vermijden dat jou schrik, angst of frustratie gaf. Dit is voor onzer kat een sterk motiverende emotie om bepaald gedrag te vertonen.
ANTICIPATIE: het gevoel wanneer je een situatie opmerkt waarin je mogelijk opluchting of plezier kan voelen. Deze emotie leidt in zekere mate tot dezelfde emotionele en fysieke reacties als bij plezier of opluchting.

Deze emoties hangen ook samen. Zo weten mensen uit onze sector dat je een dier nooit kan trainen door gebruik te maken van een gezonde portie frustratie. Als je schrik wil veranderen, moet je werken aan het stimuleren van situaties van opluchting.

PLEZIER – FRUSTRATIE
De kat heeft wat ze wilDe kat heeft niet wat ze wil

SCHRIK - OPLUCHTING
De kat wordt bedreigdDe kat wordt niet meer bedreigd

Karakter
We zien verschillen in het karakter van de kat, daar gaat elke eigenaar mee akkoord.
We spreken in de wetenschap echter niet gemakkelijk over de ‘persoonlijkheid’ van een kat omdat dit impliceert dat we gedrag kunnen observeren dat consistent is doorheen het leven van de kat, ongeacht leeftijd, socialisatie, leefomgeving, sociale contacten enz.
Dit is ten eerste extreem moeilijk te onderzoeken en ten tweede zijn het net die factoren die een te diepgaand verschil kunnen maken in hoe een kat zich van dag tot dag gedraagt en hoe ze op haar omgeving reageert.
Uiteraard heeft een kat wel karaktertrekken, maar die kunnen tijdens het leven van de kat veranderen. Zo kan een kat ‘openbloeien’ wanneer ze in een situatie terechtkomt die aan al haar wensen, noden en verwachtingen tegemoetkomt, zowel op individueel niveau als dat van de diersoort.
We bespreken een paar belangrijke onderdelen van het karakter van de kat die tussen katten onderling kunnen verschillen maar die ook kunnen veranderen in het leven van de individuele kat.
Intelligentie
Intelligentie bij dieren verwijst naar de mate waarin een individu in staat is om bepaalde associaties te maken die bijdragen tot zijn overleven.
E zijn daarbij verschillen tussen diersoorten (uiteraard), maar ook binnen een diersoort hebben individuen verschillende intelligentieniveaus. Dit is logischerwijs deels aangeboren en deels getraind vanaf de geboorte.
In dit boek spreek ik over intelligentie als de mate waarin de kat al dan niet in staat is om iets te leren dat wij haar willen aanleren, om associaties te maken. Hoe meer associaties de kat maakt, hoe ‘intelligenter’ ze wordt. Katten die vaak getraind en mentaal gestimuleerd en uitgedaagd worden, kunnen na verloop van tijd ook intelligenter worden, net zoals bij mensen.
Je merkt dit in praktijk aan de mate waarin een kat zaken begrijpt zoals verrijkingskommen, denkspeelgoed, clickertraining en associaties met de eigenaars (wat moet ik doen om dit of dat te verkrijgen). Zo zijn er katten die hun eigenaars ontzettend goed getraind hebben. Ik vind dat ook een goede zaak, ik heb niets liever dan dat katten duidelijk weten met welke signalen ze iets duidelijk kunnen maken aan hun eigenaar en ik vind ook dat we daar onmiddellijk op moeten reageren. Dat creeërt namelijk voorspelbaarheid in het leven van je kat.
Pas op met het inschatten van het intelligentieniveau van je kat want katten kunnen ook bewust niet op bepaalde zaken reageren (omdat ze niet gemotiveerd zijn), waardoor het lijkt dat ze ‘dom’ zijn maar eigenlijk net heel intelligent zijn.
Niveau van zelfzekerheid
Dit onderwerp sneed ik al aan in de Handleiding, maar hier ga ik iets dieper op het onderwerp in.
Er zijn katten met een zeer hoog zelfzekerheidsniveau, wat je merkt bij katten die heel nieuwsgierig zijn, overal op ontdekking gaan, er als de kippen bij zijn wanneer je met iets nieuws of iemand nieuw binnenkomt, zo goed als geen schrik laten zien enz. Dan zijn er ook verlegen katten, die graag graag alles vanop een afstand bekijken, meer afstand houden, graag op zichzelf zijn, zich meer terugtrekken dan andere katten. En dan zijn er alle gradaties daartussen, en dit kan tijdens het leven van de kat veranderen.
Ik wil opnieuw even stilstaan bij het feit dat dominantie bij katten niet bestaat. ‘Dominantie’ is het gedrag wanneer het ene dier macht wil hebben over het andere dier binnen een groep met een vaste sociale structuur, een ‘hiërarchie’, met als doel het overleven van de groep. Katten zijn geëvolueerd als solitaire jagers, zij kennen geen vaste sociale structuur. Bij katten zijn sociale relaties flexibel en kunnen ze plots wijzigen onder invloed van omgevingsfactoren. Het is natuurlijk wel mogelijk dat je ‘dominant’-achtig gedrag ziet, een momentopname waarbij bv. de ene kat de andere wegjaagt of terroriseert.
De ene kat wil dus geen baas spelen over de andere kat. Je merkt wel dat de ene kat zelfzekerder is dan de andere kat. Die zelfzekere kat steekt zich niet weg, is er altijd als de kippen bij, is een haantje-de-voorste, komt altijd kijken, laat duidelijk zien waar ze gebruik van wil maken en maakt dit ook duidelijk aan andere katten.
Wat ziet een eigenaar dan wel? Een kat die precies de baas wil spelen, die altijd eerst ‘mag’ eten, die ‘mept’ naar een andere kat, maar die zich eigenlijk territoriaal opstelt als er bv. te weinig bronnen zijn. Dit alles lijkt op dominant gedrag, maar dat is ook het enige dat je erover kan zeggen.
Het is wetenschappelijk bewezen dat de eigenschap ‘zelfzekerheid’ van de vaderkat aan de kittens wordt doorgegeven. Dit uit zich in vriendelijkheid bij kittens maar komt eigenlijk neer op ‘boldness’, de Engelse term voor ‘stoutmoedigheid’ of ‘durf’. Kittens met durf socialiseren zich gemakkelijker en uitgebreider aan hun omgeving dan verlegen kittens.
Bij gedragsmodificatie wijzigt het zelfzekerheidsniveau soms omdat de omgeving de kat meer toelaat zichzelf te zijn. Zo heb ik situaties gekend waarbij een katje door therapie zelfzekerder werd en plots in huis begon te sproeien. Oeps, dat was niet de bedoeling maar ergens wel een logisch gevolg. Dat kwam niet omdat die kat ineens meer stress had, maar omdat sproeien een stress-signaal is dat zelfzekere katten aangeven. Verlegen katten steken zich eerder weg.
Individuele voorkeuren
Binnen een diersoort hebben dieren bepaalde verwachtingen die geprogrammeerd zijn om beter te kunnen overleven. Zo verwachten katten dat ze altijd aan eten kunnen, dat ze kunnen spelen/jagen, dat ze een kattenbak ter beschikking hebben, dat ze ergens rustig kunnen slapen.
Binnen al deze natuurlijke noden hebben katten ook individuele voorkeuren die aangeboren zijn of tijdens de socialisatieperiode én op latere leeftijd aangeleerd zijn .
Zo verwachten katten met een hoog energieniveau meer speel-gelegenheden in hun omgeving dan katten met een laag energieniveau. Aan mensen gesocialiseerde katten verwachten menselijk contact, wat een andere verwachting is dan die van katjes die op een boerderij zijn opgegroeid.
Er zijn katten die houden van lage bakken en anderen gaan liever in hoge bakken. De ene kat reageert fel op kattenkruid, de andere niet. De ene kat vindt het heerlijk om in de lucht te springen naar een vliegend vogeltje, terwijl een andere kat liever jaagt op kleine prooien die over de grond lopen. De ene kat wil alles in haar kattenbak begraven, de andere heeft daar geen nood aan.
Als katteneigenaar moeten we dus experimenteren. Vaak is de enige reden waarom iets werkt bij de ene kat en niet bij de andere, gewoonweg het feit dat de kat dit verkiest. Dit wordt erg belangrijk bij gedragsmodificatie en het zoeken naar wat een kat nu wil gebruiken.
Hooggevoeligheid
Door hun evolutie als solitaire jager zijn katten over het algemeen hooggevoelig. Ze zijn uitgerust met extreem goed ontwikkelde zintuigen om alles in hun omgeving waar te nemen dat belangrijk is om te overleven.
Tussen katten onderling zijn er verschillen of verschillende niveaus. Er zijn katten die alles opgemerkt hebben terwijl anderen door alles heen slapen. Omwille van die gevoeligheid moeten sommige katten iets meer tegemoetgekomen worden dan anderen.
Dit zijn katten die de minste humeurwisseling bij je opmerken, die op je komen liggen wanneer je ziek bent, die tegen een zwangere buik gaan liggen. Ze zijn zintuiglijk extreem sensitief maar pikken in hun gemoedstoestand ook heel veel zaken uit de omgeving op.
Sociaal karakter
Het sociale karakter van je kat en de mate waarin sociaal contact met een andere kat door haar als stresserend wordt ervaren, heeft een invloed op het gedrag van je kat en haar stressniveaus in de rest van haar leven. Hoewel katten van nature solitaire jagers zijn, zijn ze toch in staat om sociale relaties met andere katten aan te gaan. Wat heeft hier dan een invloed op?
Dit sociale karakter van je kat wordt voornamelijk beïnvloed door volgende zaken:
Sociale aard
Elke kat wordt geboren met een bepaalde sociale aard. Er zijn katten die van nature supersociaal zijn en er zijn er die niets van andere katten moeten hebben.
De meeste katten zijn echter flexibel sociaal. Dit wil zeggen dat ze zich aanpassen aan het sociale gedrag dat ze krijgen van de andere kat. Deze katten zijn vriendelijk en sociaal wanneer andere katten zich sociaal opstellen en stellen zich defensief en vijandig op bij het ontvangen van vijandige signalen.
Bij het observeren van ongewenst gedrag bij katten en dan vooral agressie tussen katten en sproeiproblemen, is er mogelijk van nature al een probleem, namelijk dat katten bij elkaar gehouden worden die op sociaal vlak niet compatibel zijn met elkaar. De ene kat is supersociaal en wil constant spelen met de andere kat terwijl die dat helemaal niet wil. De ene kat wil contact maken en de andere kat heeft het niet voor andere katten, om welke reden dan ook. Ofwel plaats je 2 sociale katten bij elkaar ofwel 2 katten die allebei liever op zichzelf zijn. Dit is echter niet gemakkelijk op voorhand in te schatten en de volgende punten zijn ook nog belangrijk.
Socialisatie van sociale contacten
Naast de aangeboren sociale aard van de kat leren kittens ook héél wat sociale vaardigheden tijdens de socialisatieperiode van 16 weken. Dit is de inprentingsperiode waarin een kitten alles leert wat de wereld inhoudt, wat normaal is en hoe ze zich later moet gedragen. Kittens leren voornamelijk via actie en reactie hoe andere katten op hun gedrag reageren en wat aangenaam is en wat niet.
Daarom is het belangrijk dat kittens tot 16 weken in de mate van het mogelijke ook in contact komen met andere katten dan hun nestgenoten of moeder. Dat mogen zelfs halfsociale katten zijn, die al eens blazen. Zo leren kleintjes dat een zachte blaas wil zeggen dat ze niet dichter mogen komen en best wegwandelen, en dat een ‘pprrrt’ een vriendschappelijk geluid is. Uiteraard moeten deze ontmoetingen gecontroleerd en veilig gebeuren en mogen de kittens niet in gevaar gebracht worden. Oudere katten kunnen kleine kittens serieuze letsels toebrengen, zowel tijdens het spelen (ze pakken de kittens vast als prooi) als tijdens ontmoetingen. Belangrijk is hier uiteraard ook dat de moederkat een goede band heeft met deze andere katten, want moederlijke agressie is geen lachertje. Let ook op wanneer een andere kat naar een kitten blaast. Dit kan tot een sterke agressieve reactie van de moederkat leiden.
Sociale relaties
Ongeacht de sociale aard van de kat heeft ook de relatie met één individuele andere kat of katten een invloed op het gedrag van de kat.
Net als bij mensen is elke sociale relatie tussen katten uniek. Soms klikt het en soms klikt het niet. Met de ene persoon ben je beste vrienden, de andere zeg je goeiendag uit beleefdheid, en er zijn ook mensen die je liever niet spreekt. Wij mensen zijn van nature als groepsdier sociaal aangelegd, terwijl katten van nature solitaire jagers zijn.
Dit houdt in dat ze over minder sociale vaardigheden en signalen beschikken dan wij. Hun nood aan sociale contacten is van nature kleiner en ze beschikken over minder veerkracht om met conflicten om te gaan.
Elke relatie tussen katten hangt van verschillende factoren af en neemt een unieke vorm aan die een invloed heeft op heel wat facetten van gedragsmodificatie, bv. hoe we de omgeving inrichten, hoe we bronnen aanbieden, hoe we de relatie ondersteunen, hoe we de katten trainen enz.
We onderscheiden 5 soorten sociale relaties, opgemaakt volgens Bowen & Heath (2005) zoals aangehaald in de Handleiding op p. 66.
Katten kunnen samen een paar vormen, dat zijn 2 katten binnen eenzelfde sociale groep. Een sociale groep kan ook uit meer dan 2 katten bestaan, dan krijg je een kliek.
Deze katten zijn vrij tot zeer tolerant tegenover elkaar en kunnen bronnen delen, maar dat betekent niet dat ze dat altijd willen. Deze katten moeten we blijven ondersteunen door ervoor te zorgen dat ze elkaar steeds uit de weg kunnen gaan, als ze dat willen. Ik zie in de praktijk vaak het tegenovergestelde gebeuren. Omdat de katten het goed met elkaar kunnen vinden, profiteren eigenaars daarvan en zetten ze minder bronnen dan van nature nodig is, omdat ze toch alles samen kunnen gebruiken. Het risico bestaat dat dit, zeker naarmate katten de leeftijd van 1,5 tot 2 jaar bereiken, een tikkende tijdbom wordt die bij het minste conflict (door een buitenkat, pijn of ziekte, een vreemde geur in huis) kan leiden tot het uiteenvallen van de sociale groep. Sociale groepen zijn nu eenmaal heel flexibel en kunnen op elk moment veranderen.
Dan zijn er de ‘social facilitators’. Dat zijn goedgehumeurde, zelfzekere katten die van nature zeer sociaal zijn en deel uitmaken van meerdere sociale groepjes in huis. Op die manier brengen ze ook geuren over tussen katten die uit zichzelf geen contact met elkaar opzoeken.
Katten die niet veel moeten hebben van andere katten, maar wel met hen kunnen samenleven, noemen we satellietkatten. Ze hebben wel eens een toevallige neus-tegen-neus-ontmoeting of verdragen elkaar om samen op bed te slapen op goeie momenten en hebben een blaasmomentje op mindere momenten, maar vertonen voor het overige niet al te veel sociale contacten met de andere katten in het huishouden.
Er is nog een laatste categorie: de despotkatten. Dit zijn katten die van nature onder geen beding met andere katten kunnen of willen samenleven. Door dit extreme anti-sociale gedrag vinden we deze katten zelden in huishoudens met meerdere katten omdat eigenaars vanaf het eerste moment al beseffen dat dit onmogelijk is en deze katten vanzelfsprekend snel onderbrengen in een huishouden zonder andere katten. Deze katten zijn meestal erg sociaal naar mensen toe maar maken andere katten zonder boe of bah af, zo erg dat ze zelfs deuren aanvallen waar de andere kat achter zit. Het is logisch dat een kat als deze in je meerkattenhuishouden een grote vorm van stress geeft en best gescheiden en zelfs herplaatst wordt.
Het is dus belangrijk te weten welke soort sociale relatie je in huis hebt, omdat dit een invloed heeft op het gedrag van je katten en hun noden.
Introductie met andere katten
Ik vind het als therapeut belangrijk stil te staan bij de manier waarop
2 katten aan elkaar worden voorgesteld. Dit heeft namelijk levenslange gevolgen.
Bij een eerste ontmoeting zijn katten van nature elkaars vijand. Ze hebben klauwen om te doden en tanden om vlees te verscheuren. Ze kunnen hun tegenstander tijdens een gevecht zo toetakelen dat hun overleven hiermee in gevaar komt. Daarom bepaalt de eerste introductie met een andere kat het gedrag dat je katten tijdens de rest van hun leven in je huis hebben.
Er zijn talloze eigenaars die me zeggen: “Oh, ik heb die gewoon bijeengezet, ik dacht 7 dagen lang dat ze elkaar gingen vermoorden en daarna waren ze de beste vriendjes.”. Ik ben blij voor jou dat het is goedgekomen, maar dit is zeer uitzonderlijk en iets waar we absoluut niet naar streven. Dit is voor 2 katten toch geen ideale start om samen te leven?
Hoe zijn we zelf? Stel je voor, je komt thuis en plots zit er een vreemde man in je zetel. Hij ruikt vreemd, eet al je eten in de ijskast op en wil in jouw bed slapen. Je weet niet of die man vriendelijk, warm of sympathiek dan wel vijandig is en lastig zal doen. En geef toe, je hebt geen tijd om dit uit te zoeken, want dan kan het al te laat zijn. Wat doe je dan? Je belt de politie.
Wel, je kat kan de politie niet bellen, ze heeft geen controle over de situatie en ze krijgt die onbekende niet weg. Ze begint eerst met te staren, grommen en blazen om hem weg te jagen. Dat werkt niet. Dan is ze genoodzaakt om de grove middelen boven te halen: fysiek geweld. En wat vertellen eigenaars mij dan? “Maar de eerste weken ging dat goed hoor, en dan zijn ze plots beginnen vechten.” Dit is een mooi voorbeeld van hoe eigenaars geen idee hebben van de subtiele koude oorlog die onder hun eigen neus plaatsvindt.
Katten zijn als solitaire jager immers niet geëvolueerd om conflicten
‘uit te vechten’. Als die een bedreiging tegenkwam, dan liep ze gewoon heel hard weg of verstopte zich snel. Dat is de beste vorm van zelfbescherming en om conflicten te vermijden.
Hoe leren wij als mens het liefst iemand kennen? Op café bij een lekkere pint of op een zomerbar met een cocktail in de hand, of op een etentje of barbecue bij vrienden waarbij er een positieve leuke associatie wordt gemaakt en door wederzijdse herkenningspunten geanalyseerd kan worden of deze persoon je schade zal toebrengen
of niet. Wij moeten voor onze katten net hetzelfde doen.
Een introductie tussen katten moet altijd geleidelijk aan gebeuren en niet op basis van gewenning. Gewenning is blootstelling aan een (mogelijke) stressfactor op een laag niveau dat gradueel wordt opgebouwd. Het probleem is dat dit eenvoudigweg niet gaat, want bij de minste gewaarwording van de andere kat, gaan de stressniveaus bij de kat de hoogte in en vormt zich onmiddellijk een negatieve associatie. Het is het risico gewoon niet waard.

Je moet een geleidelijke introductie als standaardprocedure beschouwen. Het duurt een week of 4 om katten de volgende 20 jaar goed overeen te laten komen en er zelfs voor te zorgen dat ze plezier beleven aan elkaars gezelschap.
Ik heb de voorbije 10 jaar enorm gestreden tegen alle cowboy-adviezen die hierrond bestaan, zoals de volgende:
Laat ze het maar uitvechten, dan leren ze hun plaats wel.
Zet ze samen in een bench, dan leren ze het ineens.
Geef het gewoon wat tijd.
De dominante kat moet duidelijk maken wie de baas is.
En nog van die soortgelijke nonsens. Laat het me heel duidelijk stellen: dit is dierenmishandeling. Katten laten vechten is onaanvaardbaar.
Ze KUNNEN het NIET zelf oplossen. Ze hebben het binnen hun evolutie nooit moeten leren!
De katten beleven in het allerbeste geval een tijdelijke periode van hoge stresspieken en zoeken dan een manier om naast elkaar te kunnen overleven, waarbij eigenaars denken dat ze nu goede vriendjes zijn, wat dus niet het geval is. Het is een overlevingsstrategie die mogelijk elke dag stress zal blijven veroorzaken.
Aangeleerd gedrag
Tijdens hun leven en niet alleen tijdens de socialisatieperiode leren katten over sociale interacties. Zo kan een ervaring met een bepaalde kat een invloed hebben op het toekomstige gedrag tegenover andere katten. Als een kat jarenlang fijne sociale relaties gehad heeft met meerdere andere katten, is deze meer geneigd om opnieuw vriendschappelijk gedrag te vertonen tegenover een nieuwe kat.
Het omgekeerde is ook waar. Als een kat jarenlang vijandige ontmoetingen heeft gehad met katten in het huishouden of daarbuiten, is het mogelijk dat deze zich minder sociaal zal opstellen, zelfs als de kat van nature een sociale aard heeft. Katten leren heel hun leven lang wat hen iets goeds opbrengt en wat niet. Aangeleerd gedrag moet indien mogelijk dus mee ingecalculeerd worden.

Speelvogels
Katten zijn van nature geboren jagers en dit brengt heel wat gedrag met zich mee dat niet bij alle eigenaars in goede aarde valt. Dit gedrag, hoe graag eigenaars dit ook willen, is wat het is en kan je niet veranderen, alleen kanaliseren! Jouw kat is duizenden jaren lang geprogrammeerd om dit gedrag te vertonen, dus jij gaat dat er niet uithalen door een paar keer boos te worden. Dan boezem je de kat alleen schrik en angst in. Ik heb jarenlang geijverd om katten meer speelruimte te geven, omdat dit zo’n belangrijk aspect is, zowel inzake preventie als voor gedragsmanagement en gedragsmodificatie.
Elke kat heeft een eigen energieniveau. Zo zijn er katten die ontzettend veel energie hebben en daarom op verschillende manieren meer gestimuleerd moeten worden dan katten met een lager energieniveau.
Dit is vooral individueel voor elke kat, al zijn er bepaalde rassen waarvan bekend is dat ze meer energie hebben dan andere rassen. Bengaalse katten hebben vooral nood aan uitgebreid locomotorisch spel (= spelen met de omgeving), terwijl oosterse rassen zeer sociaal zijn en veel nood hebben aan sociale contacten.
Een gebrek aan spel is voor deze rassen en andere katten met hoge energieniveaus een absolute ramp en een duidelijke oorzaak van ongewenst gedrag. Ze uiten deze nood gewoonweg ergens anders, vaak op een manier die onwenselijk is voor de eigenaar, zoals vandalistisch gedrag, sproeien (door frustratie), kabelbijten, andere katten aanvallen, voeten en handen aanvallen enz.
We mogen dus niet alle katten over dezelfde kam scheren en binnen een gedragsplan moeten we het ritme van de kat volgen en de kat geven wat zij nodig heeft.
Sociaal spel
Sociaal spel wordt tijdens wetenschappelijk onderzoek geobserveerd bij open katers die geen familie zijn van elkaar op momenten dat er onvoldoende eten is. Dit impliceert dat sociaal spel toch ergens een belangrijke functie heeft die ten goede komt van de kat.
De nood om met andere katten te spelen wordt echter problematisch wanneer dit niet in balans is en de initiatie van het spel niet gelijk is, bv. wanneer de ene kat wil spelen terwijl de andere kat minder of zelfs niet wil spelen en zelfs probeert te ontsnappen.
Zo zie ik in de praktijk problemen bij jonge katjes die het felle spel van oudere katten fysiek niet aankunnen. Daarom is het zeer belangrijk om sociaal spel te ondersteunen en te begeleiden in plaats van hen gewoon te laten doen.
In de meeste gevallen van agressie tussen katten zie ik dat de oorzaak ligt in een verschil in de noden van de katten aan sociaal contact alsook aan sociaal spel.
De ene kat wil spelen en behandelt de andere kat als prooi, gaat deze besluipen en bespringen, en dit vaak terwijl de andere kat vaak bang en verlegen van karakter is. Bijgevolg eindigt de hele situatie in een gefrustreerde kat enerzijds en een getraumatiseerde bange kat anderzijds. Opnieuw is dit een situatie die we zelf moeten aanpakken.
Ik krijg regelmatig de vraag van eigenaars of hun katten nu vechten of spelen, want ze zien het verschil niet goed. Het is goed dat je hier als eigenaar mee bezig bent, maar dan moet je ook de juiste actie ondernemen. Ik stel hen dan snel gerust dat het bij twijfel hoogstwaarschijnlijk spel is want 2 katten die vechten, daar twijfel je geen seconde aan. In de Kattenmatrix® gaan we dieper in op hoe je dit gedrag in goede banen leidt.

Locomotorisch spel
Katten spelen met de omgeving, dat is een diep verlangen. Dat is het heen-en-weer geloop doorheen de woonkamer (het ‘zot’ hebben), het krabben aan de sofa, overal verkennen en op hoogtes springen, op lampenkappen, in gordijnen, bovenop kasten en in alle mogelijke gaatjes die ze maar kunnen vinden. Heerlijk! Helaas zijn vele eigenaars daar niet zo blij mee. Eigenaars die radicaal ‘nee’ zeggen tegen het beschikbaar stellen van aanrechten en keukentafels, voorzien meestal ook geen alternatieven. En dat terwijl er geen enkele manier is om dit een kat af te leren, tenzij door ze ongelooflijk veel schrik aan te jagen. Dan vind ik herplaatsing een diervriendelijkere oplossing. Ik zeg dat nu ook rechtuit tegen eigenaars die mijn hulp vragen. Ofwel geef je je kat toegang tot datgene waar ze nood aan heeft en gebruik van wil maken, of je zoekt een nieuwe thuis waar ze wél die mogelijkheden heeft.
Ik heb het hier niet over een logeerkamer in huis afsluiten voor je katten omdat er eten of waardevolle spullen liggen, er een baby’tje slaapt of je je kat van tafel zet omdat je aan het eten of aan het koken bent. Dat heet ‘samenleven’. Ik heb het hier over eigenaars die resoluut alle klimmogelijkheden en open hoogtes zoals de sofa, keukenaanrecht, tafels en het bed afstraffen en verwachten dat de kat op de grond leeft.
Onze katten moeten gebruik kunnen maken van de omgeving en het goede nieuws is dat wij hen daar niet bij moeten helpen, ze trekken hun plan. De eerste remedie tegen dit ongewenste gedrag is het dus niet meer te aanzien als ongewenst gedrag. Ik weet dat dit gemakkelijker gezegd is dan gedaan, maar probeer het toch maar. Bijt op je tanden en laat je kat gewoon doen. ‘Katificeer’ je huis door zaken mogelijk en toegankelijk te maken en berg alles op dat de kat kapot kan maken. Het stimuleren van locomotorisch spel doet wonderen in zowel de preventie als wijziging van ongewenst gedrag.

Prooispel
Katten zijn geboren jagers, of wij dat nu leuk vinden of niet. Ook dit leidt tot heel wat ongewenste gedragingen als de kat niet ten volle zijn jachtinstinct kan vertonen. Een gebrek aan van jacht heeft in mijn ervaring een belangrijke invloed op het al dan niet vertonen van stress en ongewenste gedragingen.
Jagen is net als een sport, het houdt de kat gezond, zowel op mentaal als op fysiek vlak. Jachtverrijking heeft daarom niet alleen voordelen als preventief middel tegen stress en vooral specifieke stressmomentjes, maar is tijdens een gedragsplan ook superbelangrijk om ongewenst gedrag te kanaliseren.
Ongewenste gedragingen die voortkomen uit het aangeboren jachtinstinct zijn vooral agressief uithalen naar handen en voeten, aanvallen van andere katten, kabelbijten, sproeien en angstig gedrag.
In de praktijk zie ik dat het onvoldoende stimuleren van de kat meestal gebeurt uit onwetendheid. Eigenaars denken dat een kat voldoende heeft met één speelbeurt per week of dat speeltjes op de grond ook goed genoeg zijn. Ze gebruiken laserlichtjes die frustrerend werken en geven eten uit kleine potjes of voercontainers zonder dat de kat ervoor moet werken.
Jonge katjes en in uitzonderlijke gevallen katten op latere leeftijd zetten hun eigen speeltjes in gang en spelen met ‘dode’ prooien. De meeste katten doen dit echter niet. Ze spelen niet met prooien die ze al gedood hebben, hebben extreem veel nood aan nieuwigheden en hebben vaak heel specifieke voorkeuren in elk van de 3 jachtfases: beweging (jachtverrijking), trappelgedrag (geurverrijking) en voeding (voedselverrijking).
Het uitlokken van jachtgedrag bij de kat heeft heel wat voordelen, zowel als preventie van ongewenst gedrag alsook binnen een gedragsplan.
Socialisatie
Zoals eerder aangehaald in het hoofdstuk ‘Nestblijvers’, zijn de eerste 16 weken cruciaal voor een kitten om te leren hoe de wereld in elkaar zit en om voorbereid te zijn om als emotioneel sterk dier door het leven te kunnen gaan.
In de eerste 16 weken van haar leven leert de kat alles wat ‘normaal’ is. Dit is een belangrijke inprentingsperiode waarin het kitten niet alleen leert van haar moeder en haar nestgenoten wat oké en niet oké is in het leven, maar ze leert ook hoe de omgeving eruit ziet en wat aanwezig is en dus normaal is.
We spreken binnen deze 16 weken over 2 socialisatieperiodes, namelijk de 1e socialisatieperiode die loopt van 2 tot 7 weken en een 2e socialisatieperiode die loopt van 8 tot 16 weken.
De eerste periode is belangrijk om te observeren, ervaren en leren wat er allemaal gebeurt in de wereld en wat dus ‘normaal’ is.
In de tweede periode leren kittens vooral wat de reactie is van de wereld op hun gedrag, leren ze omgaan met frustratie door een natuurlijk speenproces, en leren ze van hun moeder en nestgenoten welk gedrag wel en niet aanvaard wordt. De tweede periode is even belangrijk als de eerste periode maar de nadruk ligt anders.
In dit hoofdstuk wil ik vooral aandacht besteden aan het socialiseren van kittens en ook hoe dat in zijn werk gaat. Als je thuis een volwassen huiskater hebt, kan je daar uiteraard niet veel meer aan doen, maar met deze info krijg je wel meer inzicht in waarom jouw kat iets wel of niet fijn vindt.
Hotel Mama
De moeder van de kittens heeft door het hele socialisatieproces heen een invloed op het gedrag van de kittens. Als de mama zich angstig of zelfzeker gedraagt, wordt dit overgenomen door de kittens. Dat is ook logisch, want het is deze periode dat ze het nauwst contact hebben met hun moeder.
Alles wat ze nu leren, kunnen ze later gebruiken om te overleven. Ze zijn bijgevolg op dit moment het meest vatbaar om van de moeder te leren.
Louter de aanwezigheid van de moeder geeft de kittens meer zelfzekerheid tijdens het verkennen van de omgeving. Er is zelfs een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren 1970 waaruit bleek dat als de moeder banaan at, haar kittens dat gedrag ‘‘na-aapten’ en ook banaan aten, ook al druiste dit geheel tegen hun natuur in.
Het drinken bij de moeder is tijdens de hele socialisatie ongelooflijk belangrijk. Het heeft een troost- en comfortfunctie voor het kitten. Het sabbelen bij mama zorgt ervoor dat ze de stress van al dat verkennen en leren gedurende de dag kunnen verwerken. Het zogen heeft een effect op de lichamelijke en hersenontwikkeling en helpt het katje om zich emotioneel stabiel te ontwikkelen.
Leerprocessen tijdens de socialisatieperiode
Leerproces in de eerste 7 weken
In de literatuur gaat men ervan uit dat de eerste socialisatieperiode van een kat begint op 14 dagen of 2 weken en duurt tot ongeveer 7-8 weken. In deze belangrijke tijdsspanne van een 5-tal weken moet het kitten ALLES meemaken dat het later zal tegenkomen, om het als normaal te aanschouwen.
Het kitten leert in deze periode aan de hand van gewenning wat er in de omgeving gebeurt en als het katje associaties maakt, dan gebeurt dat vooral door klassieke conditionering.
Klassieke conditionering betekent simpelweg dat het kitten zelf nog geen invloed heeft op iets in zijn omgeving. Het observeert simpelweg wat er in de omgeving gaande is en dat er bepaalde signalen zijn die iets voorspellen, zonder dat het gedrag van het kitten daar een invloed op heeft. De kittens maken van alles mee in hun omgeving en die zaken beschouwen ze later als normaal.
Zo kan je kittens bv. leren dat menselijk contact fijn is door het kitten zachtjes en kort bepaalde lichaamsdelen te aaien en er zachtjes druk op uit te oefenen terwijl het aan het drinken is bij de mama.
Je drukt bv. zachtjes op de pootjes (later nagels knippen), de oren (onderzoek door dierenarts), de mondhoeken (pilletjes geven) enz.
Als dit op regelmatige basis gebeurt, voelt het kitten zich op latere leeftijd prettig bij deze aanrakingen of is het in elk geval minder gestresseerd dan wanneer deze socialisatietraining niet heeft plaatsgevonden. Sommige zaken zoals een medisch onderzoek zijn nu eenmaal niet prettig, maar nu worden ze ervaren als herkenbaar, voorspelbaar en ‘oké’ voor de kat.
Kittens hebben tot een leeftijd van 7 tot 8 weken dus geen automatische schrikrespons die oudere katjes en volwassen katten wel hebben. Dan moeten alle nieuwe zaken in de omgeving met een automatische bezorgdheid benaderd worden, het zou maar eens iets gevaarlijks kunnen zijn. Kittens jonger dan 8 weken kennen die zorg niet, zij benaderen alles met een jeugdige nieuwsgierigheid en gaan overal op verkenning.
Zij kunnen uiteraard wel een stressrespons produceren als resultaat van dat verkennen. Maar zij houden zich normaal gezien niet in omdat ze iets niet kennen. Er zijn hier wel individuele verschillen want ook bij kittens zien we ook in die allereeste socialisatieprocedure de meer zelfzekere en meer verlegen karakters al opduiken en dat heeft ook een invloed op het verkenningsniveau van het kitten.
Vanuit mijn ervaring raad ik aan om geen 2 weken te wachten met de socialisatie van kleine kittens maar om er vanaf dag 1 mee te beginnen. Ik zie in de praktijk verschillen tussen kittens die vanaf het begin werden gehanteerd met oog op socialisatie en kittens die nog niet gehanteerd werden op de leeftijd van 2 weken. Het kan dus geen kwaad om vroeger te beginnen, want pasgeboren kittens zijn even goed in staat om (onbewust) aan bepaalde aanrakingen te wennen.
Leerproces in week 8 tot 16
In deze fase leert het kitten niet alleen via klassieke conditionering maar ook via operante conditionering. Het draait meer om actie-reactie. Het kitten is nu zo goed als volledig mobiel, en kan goed lopen, springen en spelen.
Het leert dat de andere katten op een bepaalde manier reageren als ze iets doen zoals bijten, ergens op springen, willen spelen wanneer de andere katten dat niet willen of aan het slapen zijn enz. In deze korte periode leert het belangrijke sociale gedragingen die levenslang belangrijk blijven, zoals omgaan met groetende of blazende katten.
Ze leren van de nestgenootjes hoe hard ze mogen bijten vooraleer ze een gil krijgen.
In deze tweede socialisatieperiode leert het kitten ook omgaan met frustratie omdat de mama de kittens op een natuurlijke manier begint te spenen. Spenen betekent de definitieve overgang van moedermelk naar vast voer. In deze periode drinken kittens meerdere malen per dag, niet zozeer om te eten, maar wel voor troost en comfort.
De kittens leren dat de ‘melkbar’ niet altijd open is bij mama en dat ze niet altijd beschikbaar is. Dit is een belangrijke les om te leren omgaan met frustratie: ‘Ik krijg niet altijd alles wat ik wil op elke moment dat ik het wil’. Toch mogen de kittens nog drinken bij de moeder, ook al is dit niet meer echt nodig omdat ze nu ook vast voer eten (vanaf een leeftijd van ca. 4 weken).
Ze drinken bij mama en verwerken hierbij heel wat stress van alles wat ze aan het leren en verkennen zijn. Dat zogen is dus niet alleen voor hun fysieke maar vooral ook voor hun emotionele ontwikkeling belangrijk.
Door dit natuurlijke speenproces dat plaatsvindt rond de leeftijd van 10 tot 12 weken (hou rekening met variatie per nest, in het wild duurt dit langer), leren kittens op een natuurlijke manier omgaan met frustratie, op het tempo dat hun mama hen oplegt. Een kitten dat niet ‘mag’ drinken van zijn mama, kan vanuit frustratie doen alsof het levend gevild wordt. Kittens zijn echte dramaqueens. Waarmee ik maar wil aantonen hoe sterk het leerproces is dat hier plaatsvindt.
Kan je je dan voorstellen hoe schokkend het is om kittens op 7 weken zomaar weg te halen bij hun moeder? De aanwezigheid van de moeder en het ritme dat zij aanhoudt om haar kittens op te voeden zijn van groot belang. Daarom is het belangrijk dat kittens minimaal tot de leeftijd van 12 tot 14 weken bij de moeder blijven.
Sinds oktober 2019 is het zelfs wettelijk verboden in België om kittens onder de 12 weken van hun moeder te scheiden, wat een geweldige doorbraak is voor het kattenwelzijn in ons land. Kittens onder die leeftijd van hun moeder scheiden heeft namelijk mogelijke gevolgen voor het gedrag op latere leeftijd en kan leiden tot gedragsproblemen. Hier zijn niet veel wetenschappelijke onderzoeken naar gebeurd maar in mijn jarenlange ervaring, alsook die van collega-therapeuten, kan ik dit met overtuigde zekerheid claimen.
Kittens zijn op een leeftijd van 7 of 8 weken nog niet rijp om een emotioneel stabiel karakter te ontwikkelen zonder hun moeder. Of laat het me anders zeggen: de invloed van de moeder is zo groot tijdens de tweede socialisatieperiode dat we dit het kitten niet mogen ontnemen.
Kittens langer houden dan 13 weken?
Er zijn bewegingen die mensen aanmoedigen om kittens tot 16 weken bij de moeder te houden. Ook al is het zeker zo dat 16 weken beter is dan 7 of 8 weken, toch maken we er best een kanttekening bij.
Als de tweede socialisatieperiode daadwerkelijk op 16 weken wordt afgesloten en er bv. geen honden of kinderen aanwezig zijn in de oude maar wel in de nieuwe omgeving, dan kan ook dat op latere leeftijd voor stress zorgen omdat het kitten niet de kans kreeg om hier kennis mee te maken vóór die cruciale leeftijd van 16 weken.
Op 12 weken zit het kitten nog midden in zijn leerproces en kan het nog volop wennen aan en leren binnen zijn nieuwe omgeving. Het is zeker oké dat meningen hierrond verschillen. We zijn het alvast allemaal erover eens dat 12 weken het absolute minimum is.
Hoe kittens socialiseren van een wilde moeder?
Uiteraard rijst dan de vraag: wat met kittens met een wilde moeder? Dit is een ‘hot topic’ in mijn opleidingen waarbij ik een overzicht in een tabel heb opgemaakt (zie volgende pagina). We willen namelijk dat de kittens zo lang mogelijk kunnen zogen, maar anderzijds willen we ook dat ze goed gesocialiseerd worden en niet het angstige gedrag van hun moeder overnemen.
Hoe kan je nu kittens zo lang bij hun moeder laten om ze sociaal te krijgen, als de moeder niet het goede voorbeeld geeft? Dit is inderdaad een moeilijke situatie en moet altijd individueel worden bekeken.
Dit is mijn standaard leidraad voor de scheiding van kittens van hun moeder:

Als kittens bij een tamelijk verlegen kattin zitten, die niet het goede voorbeeld geeft inzake sociaal gedrag naar mensen en zich in de omgeving niet zelfzeker gedraagt, dan is het oké om de kittens regelmatig even van de moeder te scheiden en later opnieuw bij de mama te zetten. Als de kittens in hun eerste socialisatieperiode zitten, doe je dat een paar keer per dag gedurende 5 tot 15 minuten, en als ze ouder zijn, kan je dat opdrijven naar blokken van een half uur tot 1 uur.

En als de moeder helemaal wild is? Dan moet soms de moeilijke keuze gemaakt worden om de kittens volledig van de moeder te scheiden en moet dit per situatie worden bekeken in samenspraak met de begeleidende gedragstherapeut, dierenarts en asielbegeleider.
In mijn ervaring gebeurt dit het best ten laatste op de leeftijd van 6 weken, als je nog een kans wil maken om de kittens aan een menselijke omgeving te socialiseren. Het is bijgevolg wel belangrijk dat de kittens nooit zomaar gescheiden worden zonder de nodige maatregelen.
Ze moeten ten eerste een andere sociale kattin of kater als voogd krijgen die de opvoeding verder kan zetten, waar de kittens bij kunnen slapen en mee kunnen spelen. Deze suikertantes en -nonkels kunnen ook grenzen aangeven en hen leren wat te doen bij zaken die zich in de omgeving afspelen. Deze voogdkatten leven in opvanggezinnen of in de asielomgeving en moeten zorgvuldig geselecteerd worden om zelf geen stress te ervaren wanneer ze deze kleine energieke hummeltjes op hen af zien komen. Hetzelfde geldt voor gedumpte kittens en kittens die hun moeder hebben verloren. Deze kleintjes hebben absolute nood aan een sociale ‘ouderfiguur’ in de buurt.
Daarnaast is het ook absoluut aangeraden om de zoogreflex nog even te proberen stimuleren, al is het maar om zeker te zijn dat de kittens er geen nood meer aan hebben. Dit kan door kittenmelk aan te bieden in een papfles of spuitje (2-5 ml voor de kleinsten, 5-10 ml voor de kittens vanaf 8 weken), in een warme en rustige omgeving, op een tijdstip dat de kittens half aan het slapen zijn en ze dus rustig en ontvankelijk zijn om te drinken.
Als ze geen kittenmelk willen, kan je iets anders aanbieden zoals Viyo voor kittens, vloeibare snacks voor kittens (al dan niet aangelengd met water) en andere lekkere vloeibare zaken zoals een kippenbouillon.
Overleg met de dierenarts wat voor de kittens het beste is. Bied hierbij ook een kussentje aan waar ze op kunnen trappelen, zoals ze dat tegen de buik van hun mama doen om melk te stimuleren.
Ik adviseer regelmatig om dit ook te proberen bij gestresseerde katten die vaak en fervent melktrappelen als stressontlading, vooral bij jonge katten tot een jaar oud, maar niets houdt je tegen om het bij eender welke kat te proberen.
Soms is het opwekken van dat comfortabele gevoel bij de moeder een goede manier als overgangsfase naar een meer zelfzekere en minder schrikachtige houding.

Socialisatie aan de omgeving
Een kitten leert in zijn jonge weken hoe een normale omgeving eruitziet. We zeggen dus in principe niet dat een kat niet gesocialiseerd is. Een kat is altijd gesocialiseerd aan iets. We kunnen wel zeggen dat ze niet voldoende gesocialiseerd is aan een bepaalde omgeving. Wanneer een kat in een omgeving leeft die niet overeenkomt met de omgeving die ze heeft leren kennen in haar eerste 16 weken, dan geeft dit extra opwinding, emotie en stress op latere leeftijd. Socialisatie is uiteraard nooit 100% sluitend, ook het karakter en de aard van de nieuwe omgeving zijn van belang (bedreigend/niet-bedreigend of neutraal).
Een belangrijke vraag waar asielmedewerkers en opvanggezinnen mee worstelen is: Hoe schat ik de leercurve van een ‘wilde’ kat in? Een ‘wilde kat’ is een kat die stressgedrag vertoont omdat ze in een omgeving of situatie zit die ze niet kent en die voor haar onherkenbaar is. Op welke leeftijd begint dan nog de socialisatie en wanneer moet je je erbij neerleggen dat de kat niet bij mensen moet/kan leven om gelukkig te zijn?
Ik heb al situaties meegemaakt waarbij katjes van een maand of 6 in een badkamer gehouden worden om hen ‘gewoon’ te maken aan de omgeving en de mensen in die omgeving, dus zonder training en waar maar geen vooruitgang wordt geboekt. Dan zeg ik dat het belangrijk is om te weten dat niet alle katten bij mensen moeten leven en dat dat echt oké is. Soms proberen we te veel te forceren. Of willen we katten laten ‘wennen’ terwijl de socialisatieperiode al voorbij is, of er al een negatieve associatie bestaat waar je dus niet zomaar een nieuwe positieve associatie bovenop kan bouwen.
In STAP 49 en 50 (over desensitisatie en contraconditionering) van de Kattenmatrix® vertel ik je hoe het komt dat dit onmogelijk is en hoe je dit toch kan veranderen.
Ik ben uiteraard wel voorstander van het feit dat elk wild katje de kans moet krijgen om ‘de klik’ te maken. Er zijn katten die lijken alsof ze nooit in een omgeving met mensen zouden kunnen leven, maar na enkele weken ineens toch draaien en wél plezier halen uit menselijk contact en de omgeving. Het algemene advies luidt hier dat je alles op alles moet zetten (training, desensitisatie, contraconditionering, volgt nog) alvorens te beslissen of ze een boerderijkat wordt, maar dat je toch binnen de 6 weken iets van vooruitgang moet zien.

Als kittens bij een tamelijk verlegen kattin zitten, die niet het goede voorbeeld geeft inzake sociaal gedrag naar mensen en zich in de omgeving niet zelfzeker gedraagt, dan is het oké om de kittens regelmatig even van de moeder te scheiden en later opnieuw bij de mama te zetten. Als de kittens in hun eerste socialisatieperiode zitten, doe je dat een paar keer per dag gedurende 5 tot 15 minuten, en als ze ouder zijn, kan je dat opdrijven naar blokken van een half uur tot 1 uur.

En als de moeder helemaal wild is? Dan moet soms de moeilijke keuze gemaakt worden om de kittens volledig van de moeder te scheiden en moet dit per situatie worden bekeken in samenspraak met de begeleidende gedragstherapeut, dierenarts en asielbegeleider.
In mijn ervaring gebeurt dit het best ten laatste op de leeftijd van 6 weken, als je nog een kans wil maken om de kittens aan een menselijke omgeving te socialiseren. Het is bijgevolg wel belangrijk dat de kittens nooit zomaar gescheiden worden zonder de nodige maatregelen.
Ze moeten ten eerste een andere sociale kattin of kater als voogd krijgen die de opvoeding verder kan zetten, waar de kittens bij kunnen slapen en mee kunnen spelen. Deze suikertantes en -nonkels kunnen ook grenzen aangeven en hen leren wat te doen bij zaken die zich in de omgeving afspelen. Deze voogdkatten leven in opvanggezinnen of in de asielomgeving en moeten zorgvuldig geselecteerd worden om zelf geen stress te ervaren wanneer ze deze kleine energieke hummeltjes op hen af zien komen. Hetzelfde geldt voor gedumpte kittens en kittens die hun moeder hebben verloren. Deze kleintjes hebben absolute nood aan een sociale ‘ouderfiguur’ in de buurt.
Daarnaast is het ook absoluut aangeraden om de zoogreflex nog even te proberen stimuleren, al is het maar om zeker te zijn dat de kittens er geen nood meer aan hebben. Dit kan door kittenmelk aan te bieden in een papfles of spuitje (2-5 ml voor de kleinsten, 5-10 ml voor de kittens vanaf 8 weken), in een warme en rustige omgeving, op een tijdstip dat de kittens half aan het slapen zijn en ze dus rustig en ontvankelijk zijn om te drinken.
Als ze geen kittenmelk willen, kan je iets anders aanbieden zoals Viyo voor kittens, vloeibare snacks voor kittens (al dan niet aangelengd met water) en andere lekkere vloeibare zaken zoals een kippenbouillon.
Overleg met de dierenarts wat voor de kittens het beste is. Bied hierbij ook een kussentje aan waar ze op kunnen trappelen, zoals ze dat tegen de buik van hun mama doen om melk te stimuleren.
Ik adviseer regelmatig om dit ook te proberen bij gestresseerde katten die vaak en fervent melktrappelen als stressontlading, vooral bij jonge katten tot een jaar oud, maar niets houdt je tegen om het bij eender welke kat te proberen.
Soms is het opwekken van dat comfortabele gevoel bij de moeder een goede manier als overgangsfase naar een meer zelfzekere en minder schrikachtige houding.

Wat met socialisatie van kittens in een asielomgeving?
Dit is geen gemakkelijke situatie en alle respect voor de medewerkers en vrijwilligers die zich elke dag inzetten om kittens op te vangen, te verzorgen en er een goede thuis voor te vinden. Toch zie ik, ondanks de allerbeste bedoelingen, dat er niet altijd genoeg aandacht wordt besteed aan socialisatie. Het lijkt een grote taak die enkel met tijd, geld en motivatie kan worden uitgevoerd. Niets is minder waar, socialisatie kan je elke seconde doen wanneer je interactie hebt met je kittens.
Probeer zoveel mogelijk met opvanggezinnen te werken die de kittens minstens 12 weken kunnen socialiseren aan een huiselijke omgeving, vaak met andere huisdieren, katten, kinderen en alle situaties die bij een huishouden komen kijken.
Zorg voor een ‘veilige haven’ waar ze altijd terecht kunnen en volledig genegeerd worden. Dit kan in huis als de kittens vrij rondlopen alsook in hun verblijf of bench als ze daar gehouden worden. Waar ze ook zitten, ze moeten daarin nog eens een kleiner gedeelte hebben waar ze zich volledig veilig kunnen voelen.
Socialisatie aan mensen
Aantal mensen
In de eerste 8 weken moet een kitten met minimaal 4 verschillende mensen op regelmatige basis in contact komen om het begrip ‘mens’ te generaliseren, in plaats van te wennen aan één specifieke persoon. Zelfs als je kitten heel uitgebreid gesocialiseerd is door 1 of 2 personen, dan heeft die mogelijk toch nog schrik voor vreemde mensen. Laat hierbij zowel mannen, vrouwen en kinderen de revue passeren.
Tijd per dag
Uit onderzoek blijkt dat de periode waarin kittens elke dag gehanteerd worden een invloed heeft op hun vriendelijkheid en socialisatie. Tot 60 minuten hanteren staat in directe positieve verhouding met vriendelijker gedrag. Na 60 minuten wordt geen verschil meer opgemerkt. Het is dus belangrijk om kittens minimaal 1 uur per dag te hanteren, uiteraard opgesplitst, om hen te leren dat mensen en menselijke handelingen oké zijn én dat het zelfs plezierig is om menselijk contact te ervaren.
Vrijwillige training
Contact met mensen mag nooit invasief of opdringerig gebeuren. De kittens moeten te allen tijde de mogelijkheid hebben om weg te wandelen en er mag niets geforceerd worden.
In STAP 39 van de Kattenmatrix® leg ik je stap per stap uit hoe je socialisatie bij kittens actief uitvoert.
Communicatie
Hoe een kat van nature communiceert verklaart heel wat ongewenst gedrag. Begrijpen hoe ze communiceert helpt ons ook om dat gedrag te veranderen en ongewenste gedragingen te kanaliseren. Je kan dit gedrag niet ‘afleren’, het hoort bij het meest elementaire basisgedrag van de kat.
In dit hoofdstuk sta ik even stil bij de belangrijkste olfactorische communicatiesignalen van de kat die eigenaars ongewenst kunnen vinden en dus van belang zijn wanneer we spreken over gedragsmodificatie.
Olfactorische communicatie gaat over de geursignalen die de kat afgeeft aan de omgeving om te communiceren met zichzelf (is dit veilig of niet?), met andere katten (‘ik wil je vinden’ of ‘ik wil je vermijden’) of als algemene stress-signalen die aangeven dat de kat pijn of stress heeft.
Deze signalen begrijpen vind ik heel belangrijk, niet alleen omdat we dit gedrag indien ongewenst kunnen kanaliseren, maar ook omdat we bepaalde gedragingen ter vervanging kunnen uitlokken om andere ongewenste gedragingen te vermijden. De info in dit hoofdstuk houden we in ons achterhoofd bij het oplossen van ongewenst gedrag zoals sproeien, krabben en algemene stress.
We bespraken communicatie met geuren reeds in de Handleiding. De volgende info is echter belangrijk als basis van dit boek, dus herhaling is hier absoluut noodzakelijk!
Als solitaire jager is de kat geëvolueerd met geuren als moedertaal. Het is immers de beste manier van communiceren als je alleen in de woestijn rondzwerft omdat geuren je de kans geven om in tijd én ruimte te communiceren. Andere katten (en de kat zelf) ruiken de boodschappen zelfs wanneer de communicerende kat al lang weg is of ver weg is.
We moeten begrijpen dat katten in eerste instantie naar hun toekomstige zelf willen communiceren. Zo zetten ze ‘post-its’ uit in de omgeving met de boodschap: VEILIG, ONVEILIG, KEN IK NIET, OPPASSEN!!, VRIJ OKÉ, MISSCHIEN OKÉ, IK WEET HET NIET, VOOR DE ZEKERHEID enz. Zo is haar hele omgeving ‘gelabeld’ en verhoogt dit haar kans op overleven.
Kopjes geven
Katten hebben 5 verschillende kopjesferomonen (of semiochemicals, dat zijn verschillende feromonen bij elkaar) die ze aan de omgeving kunnen afgeven. Deze kopjesferomonen worden gelabeld van F1 tot en met F5 waarbij de F staat voor ‘facial feromones’. Van F1 en F5 kennen we de betekenis nog niet. F2 is een seksueel kopjesferomoon dat zowel poezen als katers aan de omgeving afgeven wanneer ze op zoek zijn naar een partner.
F3 is het kopjesferomoon dat ze afgeven aan de omgeving om die plaats als veilig te labelen. En F4 is het sociaal kopjesferomoon dat ze aan elkaar afgeven en dat tot een unieke groepsgeur leidt.
Waarom is dit belangrijk inzake gedragsmodificatie? Omdat dit gedrag is dat we zo veel mogelijk willen stimuleren. Het is een alternatief voor krabben en sproeien. Wanneer een kat zich niet veilig voelt, zal ze sproeien. Dus wat willen we dan eigenlijk als eindresultaat? Dat ze de plaats als veilig ervaart en hier dus kopjes wil geven. Het behoort dus tot het proces om ongewenst gedrag te veranderen.
Een tweede aspect is begrijpen dat heel wat kopjesgedrag bij de kat aangeleerd is en bijgevolg gaat behoren tot de communicatie tussen kat en eigenaar. Het is ooit begonnen als origineel gedrag waarbij de kat een kopje geeft aan de eigenaar of in de richting van de eigenaar omdat ze eten verwacht of iets anders plezierigs, en op dat moment leert de reactie van de eigenaar haar dat dit gedrag ook een knuffel of aai uitlokt. Uiteraard, want voor mensen lijkt kopjes geven het meest op knuffels en strelen. Ook al was het niet zo bedoeld in eerste instantie, toch leert een kat al snel dat ze kopjes moet geven wanneer ze contact wil met de eigenaar.
Naar mijn ervaring gaat de eigenaar zelf vaak de mist in door te denken dat een kat door kopjes te geven de eigenaar vraagt om haar te strelen of te knuffelen. Dat kan uiteraard het geval zijn, maar dit is meestal niet zo. Het is een vraag om aandacht, maar niet de aandacht die wij als mens op dat ogenblik intuïtief willen geven, zoals aaien, strelen, oppakken enz.
De kat wil kopjes geven, tegen de eigenaar aanwrijven, rollebollen vlak voor de eigenaar maar wil niet altijd gestreeld worden. Ze wil gewoon haar ding doen. Daarom dat ik eigenaars binnen zo goed als elk gedragsplan lief vraag om gewoon ‘te zijn’ bij de kat. Laat haar tegen je aanwrijven, zonder iets te initiëren en laat je kat gewoon haar ding doen. Steek je hand of vingers uit zodat je kat er alles mee kan doen wat ze maar wil zonder dat jij haar lastigvalt, later daarover meer!
Krabben
Krabben doet een kat om verschillende redenen, waarover je later meer kan lezen in het hoofdstuk ‘Krabben’ op het einde van het boek in het hoofdstuk ‘Gedragsproblemen’. De voornaamste reden dat katten willen krabben – en deze moet je écht onthouden – is stressontlading en geuren afzetten. En niet de nagels verzorgen, zoals vele eigenaars denken.
De kat krabt telkens als het een beetje spannend wordt in de omgeving, bv. wanneer de eigenaar thuiskomt, de eigenaar opstaat, er natvoer opgediend wordt, de deur opengaat, bij een ontmoeting met een andere kat, wanneer er gespeeld wordt met de hengel enz. Herken je het? Kleine korte krabjes aan de deurmat, de matten in de woonkamer, het behang of de sofa (als je pech hebt).
Dit beseffen als eigenaar en hier op een structurele en opbouwende manier mee omgaan door de kat mogelijkheden te geven is zo ontzettend belangrijk. Later in het boek bekijken we hoe we dit gedrag effectief kunnen kanaliseren en ombuigen.
Krabben is ook een belangrijke vorm voor de kat om geuren af te zetten. Ik noem krabben altijd een ‘oranje vlag’, tegenover kopjes die groene vlaggen zijn, en sproeiplaatsen die rode vlaggen zijn.
Voor een kat is het belangrijk om deze geuren te mogen afzetten, want hierdoor verhogen haar overlevingskansen. Stress, zoals je in het volgende hoofdstuk zal lezen, gaat namelijk niet over de aanwezigheid van stressfactoren in de omgeving, maar wel over de mate waarin de kat ermee om kan gaan. Een stressfactor identificeren en er een ‘post-it opplakken’ is het begin en daarom zo belangrijk dat jij dit als eigenaar niet alleen toelaat, maar ook vergemakkelijkt en stimuleert om zo de algemene stressniveaus naar beneden te halen. Daarom moet je ook oppassen met het ‘maskeren’ van deze geuren door feromonentherapie.
Krabben wordt straks tijdens gedragsmodificatie hét middel om stressniveaus te verlagen. Katten zijn opportunisten en maken zeer gemakkelijk gebruik van zaken die wij langs hun looproutes voorzien, dé ideale manier om gedrag te kanaliseren en beïnvloeden.
Sproeien
Sproeien, zo natuurlijk maar ook zo ongewenst. Een kat heeft van nature nood om te sproeien en deze nood heeft een invloed op haar gedrag. Sproeien betekent het afzetten van een kleine hoeveelheid druppels olie-achtige, feller ruikende urine op een verticaal vlak, op een duidelijk zichtbare plaats, op meerdere locaties maar vooral doorgangen in huis.
Een kat die stress of pijn heeft, kan sproeien. Zo simpel is het.
Uiteraard dien je individuele verschillen in het achterhoofd te houden die ervoor zorgen dat de ene kat al meer geneigd is of meer nood heeft om (meer) te sproeien dan een andere kat. Belangrijke invloeden zijn de mate van zelfzekerheid of verlegenheid bij de kat, haar veerkracht en stressniveaus, socialisatie, gevoel van schaarste of overvloed in de omgeving, bedreiging van buitenkatten enz.
Een kat die sproeit, geeft een uiting van stress, of dit nu pijn, ziekte, frustratie, schrik of angst is. En op sommige locaties, zoals in het jachtgebied, is dat perfect natuurlijk en normaal. Het is pas wanneer de kat gaat sproeien op een abnormale manier, dat het écht een probleem wordt. Dit kan bv. zijn op abnormale locaties, zoals leef- en hartsgebied (zie Handleiding p. 56), maar ook op een abnormaal tempo met abnormale frequenties in vergelijking met wat normaal is voor deze individuele kat.
Sproeien is één van de meest voorkomende redenen waarom ik als gedragstherapeut aangesproken word om eigenaars bij te staan.
Sproeigedrag is niet alleen een teken van stress bij de kat, maar brengt ook heel wat stress mee voor de familieleden en binnen relaties. Ik heb situaties gezien waarbij meerdere katten door extreme chronische stress elke vierkante centimeter van de woonkamer besproeiden, situaties waarin katten geen enkel item in huis onaangeroerd lieten, maar eveneens zag ik katten die slechts enkele keren per week in de veranda sproeiden bij het zien van een buurtkat en dit extreme stress opriep bij de eigenaar.
Deze situaties vragen dus een evenwicht tussen het gedrag van de kat én de verwachtingen en gedrag van de eigenaar.
Stress
In dit hoofstuk neem ik jullie mee in de wondere wereld van stress bij de kat. Alleen al over stress kan ik nog eens een boek vol schrijven, dus ik hou dit bewust zo concreet en kort mogelijk. Stress is een algemeen woord voor het concept waarbij je kat beïnvloed wordt door een externe gebeurtenis, waarop zij genoodzaakt is te reageren om zo te kunnen overleven. Stress is dus een verzamelwoord voor verschillende emoties zoals schrik, frustratie, angst, plezier en anticipatie.
Gevolgen van stress?
Stress heeft verschillende gevolgen voor je kat, zowel fysiek, emotioneel als gedragsmatig.
Acute stress
Hartslag die toeneemt
Sneller ademen
Extra toevoer van hormonen voor fysieke kracht en het nemen van beslissingen
Minder tot geen hongergevoel (met mogelijk overgeven als gevolg)
Chronische stress (+ alle vorige punten)
Onderdrukt immuunsysteem (met medische problemen als gevolg)
Minder of net meer slapen
Afwijkend of veranderd gedrag (tegenover beginsituatie)
Gedragsproblemen van alle aard

KADER

WEETJE – De bekende ‘fight or flight’-reactie bij dieren wanneer ze bedreigd worden, zou volgens zeer recent wetenschappelijk onderzoek niet veroorzaakt worden door het hormoon adrenaline, maar wel door een hormoon dat vrijgegeven wordt door het beendergestel. Het is dus blijkbaar het skelet dat het dier de power geeft om te kunnen vechten of vluchten.

Drempel van opwinding
Elke kat heeft een ‘drempel van opwinding’ of ‘prikkelgrens’, die bepaalt waar het stressniveau van de kat zich bevindt. Onder de drempel van opwinding is het ‘parasympatisch systeem’ van de kat in werking, wat overeenkomt met rust. Als de kat erboven schiet, dan produceert het ‘sympatisch’ systeem de hierboven beschreven verschillende gevolgen met stress als gevolg.
De reden waarom ik wil dat je dit weet, is omdat jij je constant bewust moet proberen zijn waar je kat ergens zit. Zit ze onder of boven haar drempel van opwinding. Zo kan jij inschatten hoe je moet omgaan met een mogelijke stress-situatie.

We spraken eerder over de 5 motivaties die een kat heeft om gedrag te veranderen of bepaald gedrag te vertonen. We zetten de motivaties nu even in een schema samen met de drempel van opwinding. Dat ziet er dan ongeveer zo uit:

Wanneer katten een prooi spotten, een bedreiging ervaren of een potentiële partner zien (wat bij vele van onze katten geen grote kwestie meer is aangezien ze gecastreerd zijn), schieten ze boven hun drempel van opwinding en gaan ze in een staat van ‘overleven’.
Ze zijn op dat moment niet meer vatbaar om te leren. Dat kunnen ze alleen wanneer ze onder die drempel zitten, wanneer de kat rustig op haar gemak kan rondkijken en alert en bewust associaties en observaties in haar omgeving kan maken.
Het is belangrijk om dit te beseffen wanneer we het gedrag bij katten willen veranderen. We moeten ze namelijk ALTIJD eerst in rust krijgen (of toch in elk geval flirtend met die prikkelgrens), alvorens we hen iets nieuws kunnen aanleren.
Waar deze drempel van opwinding voor jouw kat zich bevindt, hangt af van verschillende factoren die doorheen de tijd of zelfs dagelijks kunnen wisselen, zoals gemoedstoestand, ziekte, pijn, leeftijd, eerder ervaren stress en mogelijk nog andere factoren.
Soms ligt die drempel wat lager en zal je kat ze sneller overschrijden en dus sneller gestresseerd zijn. Soms ligt haar drempel hoger, wat betekent dat ze meer veerkracht heeft en beter om kan gaan met de omgeving alvorens gestresseerd te geraken. Een goede manier om deze drempel te observeren is te letten op subtiele stress-signalen zoals besproken in de Handleiding.

Verschil tussen acute en chronische stress
Bij acute stress ervaart de kat iets in de omgeving waarop ze moet reageren. Ze heeft na de waarneming van een stresstrigger en daaropvolgende reactie de tijd om te herstellen naar een staat van rust. De impact van de stressfactoren blijft hetzelfde voor de kat haar gemoedstoestand, ze reageert steeds hetzelfde.

Acute stress is in principe geen gedragsprobleem, maar een natuurlijke manier van omgaan met de omgeving. Wat niet betekent dat we het niet zoveel mogelijk moeten proberen vermijden. Maar als je kat schrik heeft van de stofzuiger, is het belangrijker om de stofzuiger voorspelbaar te maken en de kat genoeg opties te geven zodat ze wegkan, dan effectief haar beleving van de stofzuiger te veranderen. Er is een evolutionaire reden waarom je kat er schrik van heeft, misschien willen we dit zelfs niet veranderen.

Stress wordt pas problematisch wanneer stress-signalen ten eerste constant aanwezig zijn en ten tweede voortdurend als stresserend worden ervaren.
Bij chronische stress heeft de kat dus geen recuperatietijd, of toch niet voldoende de tijd om te herstellen alvorens de volgende stressfactor voorbijkomt, of toch iets dat zij als stresserend ervaart.
Het probleem is dat de impact van die stress-stimuli in de omgeving, naargelang de kat op haar ‘stressberg’ klimt, steeds groter wordt.
De stimuli in de omgeving blijven dus exact hetzelfde inzake lengte, intensiteit enz., maar de kat ervaart ze met een grotere impact omdat ze nog niet hersteld is van het vorige stressmoment.
Bijgevolg reageert je kat niet meer in verhouding tot de stressfactor waaraan ze is blootgesteld. Zoals een kat die je enkel tot bloedens toe aanvalt omdat je voorbij wandelde, of een kat die sproeit bij het minste geluid in huis.
Een kat kan in extreme situaties vervolgens zo ver boven haar drempel van opwinding geduwd worden, dat er een moment komt waarop ze niet meer met de omgeving kan omgaan a.d.h.v. natuurlijke afweermechanismen die haar normaal wel perfect helpen in zo’n situatie (zoals verdediging, schuilen, overspronggedrag). Bij honden heet dit de ‘bijtgrens’.
Vanuit mijn opleiding hebben we duidelijk geleerd dat we gedragsmedicatie voor katten pas bespreken met de behandelende dierenarts wanneer onze kat boven deze ‘bijtgrens’ zit en ze er niet meer in slaagt om zelf haar stressniveaus naar beneden te krijgen. Ik zie in de praktijk al te vaak dat gezonde katten met een normale vorm van stress te snel op kalmerende medicatie worden gezet, alvorens (of minstens gelijklopend) het gehele proces van gedragsmodificatie te doorlopen.

We spraken eerder over de 5 motivaties die een kat heeft om gedrag te veranderen of bepaald gedrag te vertonen. We zetten de motivaties nu even in een schema samen met de drempel van opwinding. Dat ziet er dan ongeveer zo uit:

Wanneer katten een prooi spotten, een bedreiging ervaren of een potentiële partner zien (wat bij vele van onze katten geen grote kwestie meer is aangezien ze gecastreerd zijn), schieten ze boven hun drempel van opwinding en gaan ze in een staat van ‘overleven’.
Ze zijn op dat moment niet meer vatbaar om te leren. Dat kunnen ze alleen wanneer ze onder die drempel zitten, wanneer de kat rustig op haar gemak kan rondkijken en alert en bewust associaties en observaties in haar omgeving kan maken.
Het is belangrijk om dit te beseffen wanneer we het gedrag bij katten willen veranderen. We moeten ze namelijk ALTIJD eerst in rust krijgen (of toch in elk geval flirtend met die prikkelgrens), alvorens we hen iets nieuws kunnen aanleren.
Waar deze drempel van opwinding voor jouw kat zich bevindt, hangt af van verschillende factoren die doorheen de tijd of zelfs dagelijks kunnen wisselen, zoals gemoedstoestand, ziekte, pijn, leeftijd, eerder ervaren stress en mogelijk nog andere factoren.
Soms ligt die drempel wat lager en zal je kat ze sneller overschrijden en dus sneller gestresseerd zijn. Soms ligt haar drempel hoger, wat betekent dat ze meer veerkracht heeft en beter om kan gaan met de omgeving alvorens gestresseerd te geraken. Een goede manier om deze drempel te observeren is te letten op subtiele stress-signalen zoals besproken in de Handleiding.

Belangrijkste oorzaak van stress
Stress kan zowel positief als negatief zijn en wordt veroorzaakt door een hele lijst potentiële externe stressfactoren zoals een prooi of een roofdier, en door ook interne factoren zoals pijn en ziekte. Maar dat is niet de grootste oorzaak van stress bij onze katten.
Wanneer we kijken naar de belangrijkste oorzaak van stress, dan is dat niet logischerwijze de aanwezigheid van een bepaalde bedreiging zoals een andere kat of iets waar de kat niet goed aan gesocialiseerd is.
De voornaamste oorzaken van stress bij dieren (in gevangenschap, wat onze katten zijn) zijn onvoorspelbaarheid van die stressfactoren en onvoldoende keuzes om ermee te gaan.
Het is namelijk helemaal oké dat er iets in de omgeving is waar de kat mogelijk stress van krijgt, daar kan je vaak zelfs gewoon niets aan doen. Je kan moeilijk je kinderen naar het asiel brengen .
Het belangrijkste aspect om met stressfactoren te kunnen omgaan, is dat de kat het op tijd ziet aankomen (via voorspelbare signalen) én dat ze de keuze heeft om ermee om te gaan, zoals bijvoorbeeld wegwandelen, vluchten of andere overlevingstechnieken.
Wanneer een kat een bepaalde stressfactor als onvoorspelbaar ervaart, wordt die factor 100 keer zo bedreigend als ervoor. Want het betekent dat ze constant angstig moet rondlopen, ‘want je weet maar nooit’.
Daarom hamer ik later in dit boek zo hard op het voorzien van voorspelbare schuilplaatsen, je kat met rust laten als je niet in haar ogen kan kijken en nog veel meer, omdat dit haar helpt in het voorspelbaar maken van de omgeving.
Als je kat daarnaast stress ervaart en ze heeft niet de vrije keuze om hiermee om te gaan, dan gaan haar stressniveaus ook door het dak. Als ze het bv. als kitten niet leuk vindt om door jou opgepakt te worden en ze leert keer op keer dat ze fysiek niet sterk genoeg is om zich los te maken, dan gaan katten in een staat van ‘aangeleerde hulpeloosheid’, waarbij ze zich letterlijk ‘overgeven’ aan de situatie, terwijl de stressniveaus in hun systeem loeihard blijven gaan. En eigenaars besluiten dan van ‘Aha, ze heeft het begrepen dat ze dit leuk moet vinden!’.
Niets is minder waar. Ik zie dit bv. vaak bij het vasthouden van de kat als een baby.

Acute stress is in principe geen gedragsprobleem, maar een natuurlijke manier van omgaan met de omgeving. Wat niet betekent dat we het niet zoveel mogelijk moeten proberen vermijden. Maar als je kat schrik heeft van de stofzuiger, is het belangrijker om de stofzuiger voorspelbaar te maken en de kat genoeg opties te geven zodat ze wegkan, dan effectief haar beleving van de stofzuiger te veranderen. Er is een evolutionaire reden waarom je kat er schrik van heeft, misschien willen we dit zelfs niet veranderen.

Stress wordt pas problematisch wanneer stress-signalen ten eerste constant aanwezig zijn en ten tweede voortdurend als stresserend worden ervaren.
Bij chronische stress heeft de kat dus geen recuperatietijd, of toch niet voldoende de tijd om te herstellen alvorens de volgende stressfactor voorbijkomt, of toch iets dat zij als stresserend ervaart.
Het probleem is dat de impact van die stress-stimuli in de omgeving, naargelang de kat op haar ‘stressberg’ klimt, steeds groter wordt.
De stimuli in de omgeving blijven dus exact hetzelfde inzake lengte, intensiteit enz., maar de kat ervaart ze met een grotere impact omdat ze nog niet hersteld is van het vorige stressmoment.
Bijgevolg reageert je kat niet meer in verhouding tot de stressfactor waaraan ze is blootgesteld. Zoals een kat die je enkel tot bloedens toe aanvalt omdat je voorbij wandelde, of een kat die sproeit bij het minste geluid in huis.
Een kat kan in extreme situaties vervolgens zo ver boven haar drempel van opwinding geduwd worden, dat er een moment komt waarop ze niet meer met de omgeving kan omgaan a.d.h.v. natuurlijke afweermechanismen die haar normaal wel perfect helpen in zo’n situatie (zoals verdediging, schuilen, overspronggedrag). Bij honden heet dit de ‘bijtgrens’.
Vanuit mijn opleiding hebben we duidelijk geleerd dat we gedragsmedicatie voor katten pas bespreken met de behandelende dierenarts wanneer onze kat boven deze ‘bijtgrens’ zit en ze er niet meer in slaagt om zelf haar stressniveaus naar beneden te krijgen. Ik zie in de praktijk al te vaak dat gezonde katten met een normale vorm van stress te snel op kalmerende medicatie worden gezet, alvorens (of minstens gelijklopend) het gehele proces van gedragsmodificatie te doorlopen.

We spraken eerder over de 5 motivaties die een kat heeft om gedrag te veranderen of bepaald gedrag te vertonen. We zetten de motivaties nu even in een schema samen met de drempel van opwinding. Dat ziet er dan ongeveer zo uit:

Wanneer katten een prooi spotten, een bedreiging ervaren of een potentiële partner zien (wat bij vele van onze katten geen grote kwestie meer is aangezien ze gecastreerd zijn), schieten ze boven hun drempel van opwinding en gaan ze in een staat van ‘overleven’.
Ze zijn op dat moment niet meer vatbaar om te leren. Dat kunnen ze alleen wanneer ze onder die drempel zitten, wanneer de kat rustig op haar gemak kan rondkijken en alert en bewust associaties en observaties in haar omgeving kan maken.
Het is belangrijk om dit te beseffen wanneer we het gedrag bij katten willen veranderen. We moeten ze namelijk ALTIJD eerst in rust krijgen (of toch in elk geval flirtend met die prikkelgrens), alvorens we hen iets nieuws kunnen aanleren.
Waar deze drempel van opwinding voor jouw kat zich bevindt, hangt af van verschillende factoren die doorheen de tijd of zelfs dagelijks kunnen wisselen, zoals gemoedstoestand, ziekte, pijn, leeftijd, eerder ervaren stress en mogelijk nog andere factoren.
Soms ligt die drempel wat lager en zal je kat ze sneller overschrijden en dus sneller gestresseerd zijn. Soms ligt haar drempel hoger, wat betekent dat ze meer veerkracht heeft en beter om kan gaan met de omgeving alvorens gestresseerd te geraken. Een goede manier om deze drempel te observeren is te letten op subtiele stress-signalen zoals besproken in de Handleiding.

1. De moeder is goed gesocialiseerd aan mensen.
>> De kittens blijven tot minimaal 12 weken bij haar en nemen een mooi voorbeeld aan haar gedrag.

2. De moeder is niet affectief naar mensen, maar ze vertoont evemin angstig of agressief gedrag.
>> De kittens blijven tot minimaal 12 weken bij haar. Ze nemen geen voorbeeld aan haar gedrag, maar leren evenmin onaangename associaties met mensen. De kittens leren op zichzelf dat mensen leuk zijn.

3. De moeder is angstig voor mensen, maar het is haalbaar om haar te verzorgen.
>> De kittens blijven tot minimaal 12 weken bij haar. Vanaf de leeftijd van 4 weken worden ze meerdere malen per dag weggehaald naar een andere ruimte voor actieve socialisatie, omdat ze anders het angstige gedrag van hun moeder kunnen kopiëren. Scheid de kittens maximaal 1 uur per keer van de moeder met een maximaal totaal van 3 uur per dag.

4. De moeder is onhandelbaar en kan niet bij mensen gehouden worden.
>>De kittens worden ten laatste op 5 tot 6 weken gescheiden en krijgen de fles zolang zij dit willen. Ze worden in deze situatie altijd bij een suikertante of suikernonkel geplaatst, nl. een andere sociale kat die de functie van de moeder kan overnemen.